Het
Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW) zit zwaar in de problemen.
Geld op, abonnees ook, en de subsidiekranen waar het blad op dreef druppelen nog maar mondjesmaat.
Het blad bestaat 138 jaar en de meningen verschillen sterk over de vraag of dat niet lang genoeg is.
Ik lees het zelf niet, al ben ik joods.
Ik krijg het wel eens onder ogen en weet dan weer waarom ik het niet lees.
Het blad spreekt mijn taal niet, heeft mijn kleur niet en overtuigt mij er niet van dat ik die taal moet gaan verstaan en die kleur moet krijgen.
Dit zijn vage argumenten, maar met de informatielawine van tegenwoordig moet ik op mijn gevoel afgaan.
Er is concurrentie op de joodse minimarkt, namelijk een glimmend blad dat Joods Journaal heet.
Dat lees ik ook niet.
Ik ken het wel, ik ben er ooit voor geïnterviewd (ze jagen op elke vaag-joodse BN-er) en heb het toen natuurlijk gelezen.
Zelfde verhaal, maar dan weer anders.
Ook daar voel ik me helemaal niet bij thuis.
Ik vond het een vervelend, oppervlakkig blad, een PC Hooftstraat op papier.
Het wordt uitgegeven bij de uitgeverij die ook Miljonair uitgeeft en die lucht heeft het ook.
Beetje parvenu.
In de Volkskrant van sabbat zegt de hoofdredactrice van het NIW pissig over haar concurrent JJ: ..als ze geen bekende joden kunnen vinden, komen ze met bekende
aangetrouwde-tante-joden.
Het blad is nu op zoek naar
boterkoekjoden, mensen die
niet zo verschrikkelijk joods zijn, maar wel belangstelling hebben voor joodse zaken.
De schrijver Leon de Winter (zou hij stiekemweg onze Messias zijn?) doet nog één beroep op ons aller schuldgevoel en met name dat van de Stichting Maror (uitdeler van joodse tegoeden) die de subsidie bijna dichtdraaide:
Het NIW ís joods Nederland, dames en heren. Meer hebben we niet. Draai de kraan dicht en joods Nederland droogt vanzelf op.
Dit lijkt mij een typisch staaltje van Winterse demagogie.
Doe mij nog een stukje boterkoek!