Vanavond schreef ik een column die ik morgen, zaterdag, tussen 10 en 12 uur uitspreek in het programma Hollands Diep, Wereldomroep.
Ik plaats hem hieronder, en een kleine reportage van Rebbes laatste reis.
Eergisteren was het dodenherdenking in Nederland.
Dat betekent dat we twee minuten stil staan bij wat toen gebeurde en nooit meer mag gebeuren. En bij wat nu gebeurt en wat we dachten dat nooit zou gebeuren.
Toen keek een groot deel van Nederland vanachter de gordijnen toe hoe een willekeurig deel van de bevolking werd verwijderd uit hun midden.
Nu kijken we, even machteloos, toe hoe mannen, vrouwen en kinderen die hier al jaren zijn ingeburgerd, stiekem, als slachtoffers in de nacht, worden verwijderd uit ons land.
Ik ga niet rechts ik ga niet links ik ga rechtdoor. Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg.
Of zoiets.
Ik sta twee minuten stil op de lente-avond in Amsterdam. Een warme lente-avond. Bloesems en oorverdovende vogels. Een baby huilt, de trams staan stil.
Ik wil aan verheven zaken denken, aan iedereen die ik toen verloren heb en die ik nu niet wil verliezen.
En ik denk aan mijn poes. Ik kan er niks aan doen. Aan mijn poes, die op Koninginnedag elf jaar is geworden en nu aan het sterven is.
]]
(dit is een foto van de generale repetitie van het Bevrijdingsconcert van 5 mei 's avonds, op gehoorafstand van Rebbes graf).[[image:rebjes_dood_029.jpg_concert_kl.jpg::center:1
Kanker, niks meer aan te doen, hij ligt als een hoopje verdriet in een donker hoekje.
Maar is dat nou iets om op 4 mei om 8 uur aan te denken?
Op de plaats waar ik altijd herdenk in Amsterdam zijn 29 jonge mannen gefusilleerd, als represaille. Ik wil aan hen denken. Ze waren loodgieter en onderwijzer en trambestuurder.
Maar Rebbe, de poes, komt ertussen.
Hoe lang laat ik hem nog leven?
Kan ik hem al missen?
Lijdt hij? Hoe kan ik dat merken? Maak ik dat uit?
Hij eet niet meer. Hij zakt door zijn achterpoten. Hij haalt de bak alleen nog als ik die vlak bij hem zet. Hij wast zich niet meer. Hij communiceert nauwelijks meer, al kopt hij met zijn laatste krachten terug als ik hem op zijn koppie aai. Maar hij kreunt niet als ik hem aanraak.
Ik dring Rebje terug, die 2 minuten moeten besteed worden aan grote belangrijke zaken, met dikke vette hoofdletters. Ik MOET denken aan het internationaal terrorisme en de hysterie die de bestrijders ervan bevangen heeft. En die ze het alibi verschaft om oorlogen te voeren waarbij het middel erger lijkt dan de kwaal.
Ik MOET stil staan bij de ongenuanceerde angst voor iedereen die zegt moslim te zijn, alsof iedere christen die liefde heeft voor de bijbel een regelrechte bedreiging is voor democratie en vooruitgang.
Ik maak me zorgen over de tolerantie waar we zo naar verlangden na de Tweede Wereldoorlog en waar we allemaal zo trots op waren. WAREN. Want wat wordt het een schaars artikel in Nederland...
Het zijn mooie gedachten, goeie onaffe denkflitsen voor 4 mei.
Maar het zijn afgedwongen gedachten.
Want in werkelijkheid treur ik om mijn allerliefste vriend, mijn stoere gevaarlijke macho, mijn troost en toeverlaat, mijn gevaarlijke eigenzinnige zachte geliefde met de scherpste nagels, die ik genoemd heb naar een rabbijn omdat ik me altijd heb verbeeld dat hij een lastige orthodoxe joodse man met een bontjas was. Rabbijn Wuppiedorp. Rebbe.
Ik moet hem laten inslapen. Zijn leven voldoet niet meer aan de minimale eisen die een kat aan het leven mag stellen.
Maar ik wil het niet doen op de dag van de dodenherdenking. Dan blijf ik op 4 mei altijd aan hem denken.
Ik wacht op de dag van de bevrijding.
Ik moet hem bevrijden.
Dat klinkt of ik voor God speel. Maar even, een klein beetje God zijn is heerlijk. Soms.
In een verzorgingstehuis wacht tante Cor, mijn pleegmoeder, bij wie ik in de oorlog was ondergedoken, gelaten, maar toch ongeduldig tot ze mag sterven. Ze is bijna 94, ze is al jaren blind en kan niet meer lopen. Tegen wie het horen wil en dat zijn er nog velen, al haar kinderen, kleinkinderen, ikzelf, zegt ze altijd hetzelfde: Ik ben oud en blind en moe. Ik wou dat Onze Vader mij bij zijn Hemelse Scharen riep. Maar het is mijn tijd nog niet. Ik moet wachten.
Zij moet wachten. Omdat zij een mens is.
Rebbe mag gaan. Omdat hij een poes is. En ik dat voor hem mag beslissen.
Ik laat de dokter komen op 5 mei, de dag van de bevrijding.
En ik weet zeker dat Rebbe nu dartelt in de poezenhemel, bij zijn Hemelse Scharen.
Waar Karel Appel prachtig schildert en tante Cor komt als het haar tijd is.