Tijdje niet geblogd, in tijden namelijk niet zo druk en zo moe geweest. Ik heb nergens tijd voor, behalve voor de dingen die heilig moeten: werken, feest vieren, op de accordeon Het Kleine Café aan de Haven instuderen, met de kleinkinderen naar een speelpark, interviewtrainingen geven, in interviews bekendheid geven aan dat leuke programma Sterren op het doek (vanaf 4 juli 20.50 uur 8 weken lang op Nederland 2 te zien). Maar ik kreeg zoveel mailtjes of ik alstublieft die Gouden Kooi-vent wilde weghalen, of in elk geval een nieuw postje wilde maken zodat hij je niet steeds aanstaart als je mijn site bezoekt.
Behalve Gert-Jan Dröge, Stefan Felsenthal is nu ook de dichteres Hanny Michaelis overleden.
Een bescheiden, subtiel, mij dierbare dichteres. Ik heb haar wel eens mogen interviewen en altijd was haar Leitmotiv: het stelt niet veel voor wat ik doe.
Toch heb ik mijn verdrietigste momenten grote troost ondervonden van haar gedichten.
Ik herinner me de eerste bundel die ik kocht: ONVOORZIEN.
En het kleine gedicht, vast niet haar mooiste, of haar belangrijkste, maar mijn dierbaarste:
Het poesje dat die avond
toen ik nog niet wist
wat ons boven het hoofd hing,
languit op je knie lag
en zich door je liet strelen
terwijl je andere arm
me tegen je aandrukte
zodat er een zonderlinge variant
op de Heilige Familie ontstond,
likt vol toewijding haar vel.
Ze leeft gewoon door, net als ik trouwens,
maar vermoedelijk zonder geheugen
om haar tot tranen toe te sarren.