Waar moet je heen met je woede en je wanhoop als je zomaar, ineens, je prettige huis niet meer in kan?
Als niets er meer veilig is?
Je kinderen durven hun spullen niet eens meer te pakken, zo bang zijn ze dat hun huis instort.
Je weet niet waar je na een paar nachten in een hotel heen moet. Waar vind je een huis in de buurt zodat je kinderen naar hun school kunnen?
Je weet niet of je ooit je huis nog veilig zal kunnen bewonen.
Je weet niet of je huis nog een stuiver waard is.
Je weet niet eens op wie van al die partijen bij dit project je je woede moet richten.
Dat alles overkomt mijn buurtgenoten, bewoners van een blok verder dan waar ik woon.
Eerst de bewoners van een rijtje, nu het tweede.
Ik zit hier, nog in de veronderstelling dat mijn huisje stevig staat, maar niet helemaal zeker meer van mijn zaak.
Het rotsvaste vertrouwen dat je home je castle is, is weg als je dichtbij de mol woont die de fragiele binnenstad ondergraaft.
We waren er in de buurt een paar jaar geleden, toen het gegraaf begon, bang voor, maar er werd ons op het hart gedrukt dat daar geen enkel reden voor was: alles was onder controle met de Noord-Zuidlijn. En ze wisten heus wel wat ze deden, en de nieuwste technieken zorgden ervoor dat er nog geen kiezelsteentje zou trillen.
Inmiddels is de bouwput er al jaren en is het einde nog helemaal niet in zicht.
De schade aan de huizen en de winkeliers is al niet meer te berekenen.
We zijn gewoon belazerd. Er is zand in ogen gestrooid. Uit onkunde, neem ik, in mijn mildste stemming, maar aan. Uit ondeskundigheid, onwetendheid. Maar dat is bij een dergelijk riskant project onvergeeflijk.
Icarus wou naar de zon vliegen met zijn vleugels van was. Dat ging niet.
De Noord-Zuidlijn kan wel de Icaruslijn genoemd worden.
En dat alles omdat jouw stadsbestuur zich vertilt aan een project dat één aaneenschakeling van tegenslagen, budgetoverschrijdingen, mismanagement, valse voorlichting, kortom, een groot drama is.
Omdat we ooit een kwartier eerder van Noord naar Zuid kunnen reizen.