A. L. Snijders is bang.
Zelfs met zijn Franse vechtpet op en het oude vissersjasje van zn vader aan, waaruit hij oude guldens en knopen tevoorschijn tovert.
Hij loopt kordaat door het bos, vlak bij zijn boerderij in de Achterhoek, en ziet er in het geheel niet als
een angsthaas uit. Zijn blauwe ogen schijnen in zijn hoofd, en zijn rommelige haardracht beschermt zijn
gezicht.
Dit was het begin van een mooi stuk in de Volkskrant van donderdag 30 oktober jl.
Over de unieke schrijver A.L. Snijders. Vele jaren leraar geweest, de laatste jaren een opmerkelijk schrijver van juweeltjes van korte verhalen.
Uitgegeven bij Thomas Rap.
OK, het zijn mooie verhalen. So what?
Toen ik 14, 15 jaar oud was, en bakvis (zo heetten meisjespubers toen nog) op een Amsterdams lyceum, was ik radeloos en hopeloos verliefd op een lange blonde jongen, die in een hogere klas zat.
Ik denk niet dat ik ooit in mijn leven zo met iemand gedweept heb als met deze intrigerende, onbereikbare jongen.
Hij was zo lang en ik was zo klein en onaanzienlijk, dat hij mij waarschijnlijk nooit heeft gezien.
Ondanks het feit dat ik vele uren lang met mijn vriendinnetje quasi achteloos voor zijn deur stond te hangen.
Ondanks dat ik op schoolfeesten quasi nonchalant vlak voor hem danste, met een veel te jonge jongen uit mijn eigen klas.
Ondanks dat ik altijd zorgde dat ik in de gang stond als zijn klas naar buiten kwam.
Ik koesterde een foto waarop hij danste met een meisje, dat ik eraf geknipt had.
Die foto heb ik nog en hij ziet er eigenlijk, na 55 jaar, nog hetzelfde uit.
Hij heette Peter Müller, en noemt zich nu A.L. Snijders.
Ik had zijn korte verhalen al gelezen voor ik ontdekte dat A.L. Snijders mijn jeugdliefde Peter Müller is.
Het enige waar ik trots op ben, is dat ik toen al een goede smaak had.