..en toen mailde mijn lieve vriend Cornald Maas (kijk vooral elke woensdagavond naar Opium TV, Ned. 2, 21.30 uur, goed kunstprogramma, zij het te kort...) me nog een stuk van Sabine Gieben, de vrouw van de in juni overleden schrijver Adriaan Jaeggi. Ik had Weduwe op dun ijs gepost, omdat ik het zo mooi geschreven vond. Dit stuk heeft twee maanden geleden in LINDA gestaan, ook al te mooi om niet te posten.
‘Dat hij zó stoer was wist ik niet’
door journaliste Sabine Gieben, over haar man Adriaan Jaeggi.
‘De dag dat hij begraven werd, 45 jaar oud, op 16 juni, stond in het teken van levenslust. Niet verwonderlijk – Adriaan was een uitbundige man, warm en hartelijk, hij heeft zichzelf uitgevonden, hij ging zijn eigen weg. Wie speelt er nou trombone, zoals hij? Wie stortte zich zo op zijn grote liefde, de poëzie en het schrijverschap? Natuurlijk waren er stukken van hem die niemand kende en die hij zelf amper kende. Toen hij te horen kreeg dat hij ziek was zei hij dat hij zo ontevreden was geweest met zichzelf toen hij jong was. Adriaan heeft een moeilijke jeugd gehad, zijn moeder stierf toen hij twaalf was, ook aan kanker, en hij heeft zichzelf pas laat ontdekt, misschien pas toen hij na zijn studententijd naar Amsterdam verhuisde en begon te schrijven. Hij maakte zich er zorgen over hoe de mensen op hem terug zouden kijken – lange tijd vond hij zichzelf egocentrisch en onverschillig, hij besloot dat te veranderen, en vroeg zich af of het gelukt was. Ik kon hem het antwoord wel geven: Adriaan was geliefd, óók geestig en inspirerend als hij, anders dan vroeger, géén pointe-loze moppen tapte, altijd bezig van het leven een feestje te maken en druk in de weer met drank en hapjes en het bedenken van leuke dingen – en er dan ook voor zorgen dat ze gebéurden.
Vanaf het moment dat het nieuws bekend werd dat hij ongeneeslijk ziek was vond er een ware stormloop op ons huis plaats. Bloemen en cadeau’s werden bezorgd, en Adriaan voelde zich gevierd, alsof hij een van de Beatles was, zei hij. Toen hij stierf hielden zijn vrienden zijn handen en voeten vast, ik zijn hoofd. Een week voor zijn dood hoorden we midden in de nacht zijn naam roepen. Het was zijn band, in een boot in de gracht voor ons huis. Ze kwamen Adriaan een serenade brengen. Ik heb hem op een stoel gezet, en daar zat hij, op zijn magere billen, als koningin Beatrix wuivend voor het raam. Zaten we samen een beetje te snikken.
Toen eind februari de scan was gemaakt, en de diagnose onverbiddelijk was, bleef Adriaan wat langer optimistisch dan ik – soms leek het of hij het niet kon bevatten. Hij zei wel: ‘ik ga dood’, maar hij zei het tamelijk opgewekt, met een glimlach om de lippen. Aanvankelijk dachten we dat er, dankzij de chemokuur, nog redelijk wat tijd uit te halen viel. Die tijd bleek hem niet gegund. Maar Adriaan liet zich tot in de laatste fase, toen hij veel pijn had, niet uit het veld slaan: hij was het gewend geweest overal wat van te maken in het leven, dus dat deed hij ook nu. Hij klaagde niet, hij begon ogenblikkelijk te schrijven, columns voor Het Parool, een liefdesroman en een kinderboek voor onze dochters, Sara van 8 en Olivia van 6. Boos was hij niet, ondanks het lot dat hem trof, het lot dat zo onbegrijpelijk hard was: hij had eerder de moed der wanhoop. Met de dood was hij niet zo bezig. Adriaan concentreerde zich liever op zijn geliefden, vrienden en schrijverschap. Ik wist dat ik een stoere man had, maar dat hij zó stoer was wist ik niet.
Onze dochtertjes hebben we, op aanraden van een kinderpsycholoog, lange tijd niet verteld dat hun vader dood zou gaan. Natuurlijk realiseerden ze zich wel dat hij behoorlijk ziek was. Ze waren gewend aan een vader die ze kietelde en in de lucht gooide, en nu kregen ze te maken met een vader die in bed lag en alleen kusjes kon geven. Pas toen het moment daar was, en we wisten dat Adriaan nog maar heel even te gaan had, heeft hij het ze verteld. ‘Papa, nu ga je echt een beetje te ver’, was Olivia’s eerste reactie. Voor Adriaan is dat vanzelfsprekend een moeilijk moment geweest, hij wilde ook helemaal niet dood, zijn natuur was het om elke dag te denken dat er –jippie!- alweer een dag was.
Er is hem zoveel afgepakt – zoveel heerlijk, uitbundig leven. Ik voel het verdriet vooral fysiek: knoop in de buik, dichtgeknepen keel. Als iemand me vraagt hoe het met me gaat kan ik daar geen antwoord op geven. Soms heb ik het gevoel dat mensen teleurgesteld zijn als je niet meteen heel treurig bent, of als je niet opknapt wanneer ze je troosten. Ik kan er tevoren niks zinnigs over zeggen, wanneer het me wel en niet goed gaat. Als ik me echt rot voel bel ik geen mensen. Voor mijn geestesoog zie ik Adriaan gelukkig steeds. Rennend over het strand bijvoorbeeld, in een levensgrote zwembroek, vlak vóór hij in de zee duikt.
Adriaan leeft voort in zijn werk, in zijn nagelaten werk ook, betekenisvoller en gelaagder dan de gedichten en romans die hij schreef toen hij nog níet ziek was. En hij leeft voort in onze dochters. In de laatste fase van zijn leven heeft hij brieven voor ze geschreven waarin hij dierbare momenten in herinnering roept en laat weten dat hij er alle vertrouwen in heeft dat ze gelukkig zullen worden. Die brieven zullen Sara en Olivia later lezen, als ze meer van hem willen weten. Deze zomer zijn we niet op vakantie geweest – ze wilden niet, ze bleven liever thuis, als je zekerheden je worden ontnomen zoek je zekerheid in de vaste, vertrouwde omgeving. Op dit moment duwen ze het verdriet een beetje weg, ze praten niet veel over hem, maar ze weten dat het elk moment van de dag mogelijk is.
Gisterenavond, toen ik onze kinderen naar bed bracht zei Olivia opeens iets heel moois. Als ik haar goeienacht zoen voelt ze iets bijzonders vertelde ze. ‘Dan voel ik dat papa’s hand over m’n wang strijkt – een grote warme hand.’’