Ik wou weer eens een warme tip posten voor een voorstelling, toen ik een bozig mailtje kreeg, dat ik inmiddels wel het Uitburo leek met al die tips. En daar was mijn weblog toch niet voor? De dame in kwestie wou liever Meningen en Gedachten van mij.
Nou moet ik zeggen: ik heb het a. te druk voor meningen; b. ik vind meningen van een paar anderen zoveel interessanter dan die van mij, dat ik die liever 'leen' of 'pik' of hoe moet je het noemen.
Eerst doe ik toch mijn ultieme uittip en daarna post ik 2 stukken van columnisten die ik erg bewonder. Martin doe ik even niet, al staat die bovenaan. Aaf Brandt Corstius (NRC Next) al maakt die met haar dagelijkse column mijn dag altijd goed. Maar vlak daaronder: Bert Wagendorp (Volkskrant) en Bas Heijne (NRC). En van hen beiden post ik hieronder de columns van deze zaterdag (4.4 Wagendorp) en 4.4. en 20.3 (Heijne).
De Uittip: Hotel Modern speelt op veler verzoek de allermooiste voorstellingen bijna-ever: KAMP en DE GROTE OORLOG nog een paar keer in Nederland. KAMP op 7 en 9 april in De Harmonie in Leeuwarden. DE GROTE OORLOG op 8 april, ook in Leeuwarden, De Harmonie. DE GROTE OORLOG ook nog op 13 en 14 juni in Theater Frascati in Amsterdam. GA ERHEEN, als je kan. Indrukwekkend. Geloof mij maar.
En dan de columns:
Vrijdag 20 maart.
ONPARTIJDIGHEID
door Bas Heijne
Steeds vaker wordt het hebben van een mening in Nederland verward met partijkiezen. Een beetje lastig is dat wel. Zo krijgt iemand die constateert dat het Israëlische leger op een barbaarse manier op de Gaza-strook heeft huisgehouden, direct in een stortvloed van commentaren te horen hoe vreselijk Hamas is. Alsof kritiek op Israël dat besef zou uitsluiten. Wie het waagt dat achter de als verlichte kritiek gepresenteerde obsessie met moslims in Nederland – want nergens anders is die obsessie zo algemeen – misschien gevoelens schuilgaan die ietsje minder verlicht zijn, wordt stante pede kruiperig ontzag voor de islam toegedicht. Ik dacht het niet. Wie in een vroeg stadium de oorlog in Irak bekritiseerde, werd als anti-Amerikaans weggezet; wie zijn bedenkingen heeft over het politiek exploiteren van gevoelens van onlust bij de burger, is een slippendrager van de elite; wie het waagt op te merken dat de vrijheid van meningsuiting misbruikt kan worden, is een gevaarlijke vijand van het vrije woord.Je kunt het ook gemakkelijk omdraaien: wie stelt dat de burger te weinig gehoord wordt, heult met populisme; wie het extremisme van Hamas bekritiseert, is een vriend van de zionisten; wie stelt dat in een pluriforme samenleving iedere opvatting, religieus of anders, bevraagd en bekritiseerd zal worden en dat je daar maar beter aan kunt wennen, wordt direct in het kamp van de hetzers geplaatst.
Debatteren in Nederland is vragen naar de bekende weg. Het is hatelijke retoriek, geen strijd van argumenten. Iedere deelnemer voelt zich inmiddels ten onrechte in een bepaalde hoek gezet, achterhaald links, extreem-rechts, islamofoob, moslim
dweper, populist, elitair. Een ieder is verontwaardigd over wat hem wordt toegedicht.
Op dit moment loopt de scheidslijn in het debat tussen mensen die vinden dat je de Koran wel met Mein Kampf mag vergelijken, maar Geert Wilders niet met Adolf Hitler – en dan zijn er de mensen die vinden dat je Wilders best met Hitler mag vergelijken, maar de Koran niet met Mein Kampf.
Dat niveau.
Je hoeft niet bovengemiddeld intelligent te zijn om te zien dat beide vergelijkingen nergens op slaan. Toch wordt er stevig over doorgekletst, op een toon alsof de kernwaarden van onze beschaving op het spel staan. Er moet partij gekozen worden. Wie een mening heeft zonder partij te kiezen, plaatst zichzelf buiten de orde, of – erger – kiest positie in ‘het veilige midden’. Afgezien van het feit dat er in Nederland op dit moment geen onveiliger plek is dan het midden, is het ook onzin. In een volledig gepolariseerde samenleving is het voor wie publiekelijk de intellectueel wenst uit te hangen, zaak geen partij te kiezen, zich bij geen enkel kamp aan te sluiten. Met het midden heeft dat niets te maken.
Als je het zo stelt, dringt meteen ook het besef zich op dat zo’n constatering niets zal uithalen. De samenleving is gepolariseerd juist omdát veel mensen opnieuw de behoefte voelen ergens bij te horen. Het beste zie je dat bij het ‘debat’ over de terugkeer van God – je wordt geacht partij te kiezen voor de partij van het geloof of die van het ongeloof, vóór of tegen religie te zijn. Juist de Verlichting heeft je geleerd dat je zo niet moet denken, niet iedere gelovige is een obscurantist of extremist, niet iedere ongelovige is gedoemd tot een leven van nihilisme en leegte. Iedereen weet dat, en toch struikel je links en rechts over zulke klinkklare algemeenheden. Er wordt in schema’s gedacht.
In zijn recente boek La peur des barbares maakt de Frans-Bulgaarse essayist Tzvetan Todorov een verhelderend onderscheid: barbaars ben je wanneer je iemand anders zijn menselijkheid ontzegt, wanneer je hem reduceert enkel en alleen tot vertegenwoordiger van bepaalde hatelijke eigenschappen. In een gepolariseerde situatie maken alle partijen zich daar schuldig aan – dat maakt het bijvoorbeeld ook zinloos om als buitenstaander partij te kiezen in het Midden-Oostenconflict. Wie de barbarij van de een veroordeelt, kan zich niet blind tonen voor het barbaarse gedrag van de ander.
Het onverzettelijke humanisme – want humanisme is het – van iemand als Todorov lijkt op het eerste gezicht een krachtig weermiddel tegen het schematische denken waarin individuen geheel en al samenvallen met de cultuur waaruit ze afkomstig zijn of de religie die ze aanhangen. Maar werkt het ook? Surf een uurtje langs de internetfora en behalve dat je een hoop valse logica en verdwaasd schemadenken tegenkomt, valt op met hoeveel gretigheid steeds weer dezelfde clichés gedebiteerd worden, hoe energiek men tekeergaat. Veel debat in Nederland is onzinnig, maar je kunt niet zeggen dat het niet vitaal is. Het schelden is wellustig, het gebrek aan nuance is verzaligd, de eindeloze stapeling van karikaturen en beledigingen en kreten van verontwaardiging en ongeremd vijanddenken – het lijkt op een orgie.
Een orgie, dat vergeet men wel eens, is lekker. De afrekening die op dit moment plaatsvindt, heeft weinig met de noodzaak van religiekritiek, het veiligstellen van de vrijheid van meningsuiting, de ongehoorde stem van de hardwerkende burger, enzovoort, te maken. Het is een afrekening met een bestuurlijke elite die zijn zwakheden niet meer kan verbergen, maar ook met iedere vorm van bedachtzaamheid, nuancering, met de beschouwende blik, het boven de partijen staan. Vandaar dat de weloverwogenheid van iemand als Todorov weinig kans maakt in een samenleving die nu juist genoeg heeft van onthechte beschouwing en emotionele afstandelijkheid. Hij kan honderd keer gelijk hebben, maar er bestaat geen behoefte aan zijn gelijk.
Wat iemand als Todorov zich niet kan voorstellen, of waar hij voor terugschikt, is hoe gruwelijk lekker het kan zijn om een ander zijn menselijkheid te ontzeggen, wat een kick het kan zijn een ander te reduceren tot een scheld- of trefwoord. En daarmee zijn we al bijna tot de kern: als het denken in simpele vijandbeelden bij uitstek menselijk is, wanneer het partijkiezen tegen iedere weldenkendheid in onze genen zit, ontzeg je ons dan ook niet onze menselijkheid wanneer je dat soort gevoelens negeert? Hoe gaat het humanisme dat uitgaat van de mens zoals hij is om met menselijke gevoelens en instincten die hem niet welgevallig zijn?
Dat is de discussie. Waarmee geworsteld wordt is het besef dat de mens, alle humanistische inspanningen van de afgelopen halve eeuw ten spijt, onverbeterlijk is gebleken. De oorlog is terug. De harde seks is terug. De haat is terug. En nu?
Wordt vervolgd.
ONPARTIJDIGHEID 2
Nederland is een land van teleurgestelde progressieven – de ideeën waren mooi, maar de mens is hopeloos achtergebleven. De oorlog is niet verdwenen, oprukkende porno bedreigt onze tieners, nationalisme heeft de nakende broederschap der mensen gedwarsboomd. Het nieuwe racisme hult zich in de mantel van de noodzakelijke zelfverdediging. De taal van verzoening en vermenging, van eendracht en eenwording, doet ineens hopeloos naïef aan: multicultureel! Diversiteit! Begrip voor de Ander! Het idealisme heeft zich teruggetrokken binnen een veilige kring van gelijkgestemden: op congressen voor een welgestelde en weldenkende elite wordt nog gerieflijk gediscussieerd over Europa en een pluriforme samenleving, terwijl er in korte bijzinnen afkeurend wordt gemompeld over populisme en Geert Wilders, de spoken die griezelig tastbaar door de eens zo vooruitstrevende natie waren. Onbegrijpelijk dat steeds minder mensen gevoelig blijken voor de taal van het verlichte humanisme, reuze kwalijk dat men zich zo ongeremd te buiten gaat aan hysterie en hetze. Tegenover hen staan nog meer teleurgestelde progressieven. In hun ogen is het juist de eerste groep, het establishment, de zogenaamde linkse elite, die met hun wazige, naïeve gedachtegoed onze vrijheid op het spel heeft gezet. Tegenover de sleetse mantra van diversiteit en ruimte voor de ander zetten zij een andere: religieuze intolerantie! Vrouwenbesnijdenis! Eerwraak! Homohaat! Meestal gaat het om mensen die hard van hun progressieve geloof zijn gevallen en zich tegen hun vroegere zelf keren. In het eens zo breed gedragen ideaal van het kosmopolitisme zien zij nu een gevaarlijke ontkenning van de menselijke behoefte aan eigenheid. Tolerantie is alleen nog een ander woord voor ontkenning. Afgelopen donderdag nam VVD-leider Mark Rutte in de door hem opgerichte Vrijdenkersruimte van zijn partij de lijvige bundel Eindstrijd in ontvangst, een door de volgelingen van Pim Fortuyn uitgegeven bundel beschouwingen over, zoals de ondertitel in een daverend anglicisme meldt: „De finale clash tussen het liberale Westen en de traditionele islam.” De verslaggevers van de Volkskrant melden dat Rutte het niet eens is met alles wat er in de bundel staat, maar „dat de vrijheid van meningsuiting en andere westerse waarden – gelijke rechten voor vrouwen en homo’s – vanwege de komst van de islam onder druk staan, onderschrijft Rutte volledig’’. Je kunt het ook anders zeggen. Kom er maar in, Hans Jansen: „Baardmannen in binnen- en buitenland bepalen in steeds grotere mate wat er in Nederland gebeurt.” Het ironische is dat beide partijen ervan overtuigd zijn dat de vrijheid onder druk staat. Waar de een het schrikbeeld ziet van Geert Wilders als minister-president en een groeiende coterie van mediageile opportunisten die schaamteloos voor de winnaar gaan, ten koste van een voortdurend in de hoek gezette minderheid, ziet de ander de baardman met zijn bebloede kromzwaard. Dat laatste beeld is afkomstig uit de Fitna-variant van de islamkritiek, en is inmiddels achterhaald. De meeste mensen is duidelijk geworden dat het niet de baardmannen in binnenen buitenland zijn die steeds meer bepaalden wat er in Nederland gebeurde, maar keurige mannen met witte boorden. Alleen de lunatic fringe van de islamkritiek heeft het nog over baardmannen en dhimmi’s; het meer verlichte echelon richt zijn pijlen de laatste tijd op Tariq Ramadan, gasthoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Die heeft geen baard en spreekt de taal van de Verlichting – meestal. De discussie rond Ramadan is interessant, omdat hij illustreert waar ik het hierboven over had. Het gaat in werkelijkheid helemaal niet om de dreiging van de politieke Islam, die heeft – pace Hans Jansen – in Nederland geen poot aan de grond gekregen. Het gaat om de vraag wie zich de echte progressief mag noemen, wie echt onze vrijheid verdedigt. Dat is de grondtoon. De aanvallen op Ramadan gaan er steevast over dat hij tegen zijn achterban een andere taal spreekt, waarin hij onverlichte ideeën over vrouwen en homo’s zou ventileren – op onze kosten. Uit de stukken tegen de gasthoogleraar blijkt dat daarin de kneep zit: Ramadan wordt naar voren geschoven als een bruggenbouwer tussen moslims en niet-moslims, maar de officiële taal die hij spreekt is het abstracte, intellectuele jargon van de elite, aangevuld met weinig concrete oproepen tot zelfkritiek. Zijn critici vallen niet alleen hem aan vanwege een dubbele agenda, maar vooral wat hij in hun ogen vertegenwoordigt: de als tolerantie vermomde laksheid van de zogenaamd vooruitstrevende elite. De tegenvraag is daarentegen uitermate concreet: is Ramadan nu voor of tegen homo’s? Zelf ben ik al weer jaren homo, en dat bevalt eigenlijk zo goed, dat ik er nog wel even mee doorga. Ergerniswekkend de laatste tijd is wel die bevoogdende bescherming van de islamcritici, die uit mijn naam spreken en me afschilderen als lid van een angstige, opgejaagde minderheid – alleen omdat ze dat goed uitkomt. Wanneer Wilders tegen de islam ageert, heeft hij het meteen over bedreigde homo’s, maar geen PVV-er die zich op de gay parade laat zien: zijn achterban moet er weinig van hebben. Aan de andere kant heb je het omzichtige gezemel van de nieuwe orthodoxen onder moslims en christenen, die de werkelijkheid ten behoeve van de achterban maar blijven ontkennen dat er islamitische en christelijke homo’s zijn. Vervelend en hypocriet, maar er is geen sprake van dat mijn ‘gelijke rechten’ onder druk zouden staan. Waar haalt Rutte dat vandaan? Wat dat aanhoudende gejeremieer over homo’s betreft, sluit ik me aan bij de Britse schrijver Philip Hensher: „Ik ben in mijn leven geloof ik minder dan een half dozijn keer beledigd wegens mijn seksualiteit en ik heb nooit de moeite genomen te reageren met meer dan ‘Oh, fuck off’.” In de stammenstrijd die Nederland in zijn greep houdt, wanen beide kampen zich progressief en verlicht. Beide weten zich ook de realist bij uitstek. Twee partijen die lijnrecht tegenover elkaar staan uit naam van hetzelfde – volgens Hegel heet dat een tragedie. Maar wanneer een tragedie zichzelf herhaalt, zegt Marx, wordt het een farce. In die fase zijn we inmiddels beland. Over dat realisme nog een volgende keer – dan houd ik erover op. Reageren kan op nrc.nl/heijne