ik was weg, ja, naar de beeldige tuinen in Zuid-Engeland. Wat een beschaafd oude mensenland is dat. Iedereen aardig, iedereen rustig, iedereen aan het tuinieren, lekker bleek zonnetje, af en toe een drupje regen, verrukkelijk! Maar ik kreeg klachten, natuurlijk, omdat ik zo lang niets gepost had. Dat kon daar nou weer niet in mijn geval. Sorry. Ik ben deze vakantie op en af thuis, dus neem me niet kwalijk voor mijn wisselende contact met jullie. Ik hoorde dagen te laat dat Simon Vinkenoog ons ontvallen is. Naar, hij was een bijzonder fenomeen, mr. Love himself. Zielig dat hij toch nog, op de valreep, een been moest missen. Zelfs die nare amputatie ervoer hij als een 'trip'. Dat is nog eens positief denken, kan ik met mijn gezeur over niks een voorbeeld aan nemen. Ga ik ook proberen, te zijner nagedachtenis. Verder veel fuzz over Joeri van Gelders cocaïne-gebruik, waar hij zich in alle bochten voor excuseerde. Alsof hij er iemand anders dan hemzelf kwaad mee heeft gedaan! Ik hoop zo dat hij zich keihard terug vecht en nog heel veel goud aan de ringen haalt. In Engeland was het grootste nieuws dat er in Afghanistan bosjes jonge mannen door de taliban aan flarden geschoten worden de laatste weken/dagen. In totaal zijn daar al bijna 190 mensen omgekomen, en reken maar dat die taliban nooit te verslaan zijn. Net als ooit de Vietcong in Vietnam, guerilla's krijg je niet klein, met al je menskracht en wapentuig niet. Wat een duivelse val waar we met onze strijd tegen het terrorisme in verzeild zijn geraakt. Weggaan is geen optie (meer), blijven eigenlijk ook heilloos.
Maar goed, ik heb een heerlijk boek van Dawn French (de leuke dikke van French en Saunders) gekocht/gelezen, dus mijn humeur kan voorlopig niet stuk. Dear Fatty heet het.
De moeder van mijn vriendin Ingrid Harms is vorige week overleden, ze was 84. Ingrid (journaliste bij Vrij Nederland) heeft een prachtige toespraak gehouden, die ik, wegens vakantie, alleen achteraf heb gelezen. Ik vind hem zo mooi en interessant, dat ik hem hieronder post. Het is een mooie geschiedenis van een jong Russisch meisje en jonge Nederlandse man, die elkaar in de oorlog in Duitsland troffen en onverbrekelijk met elkaar verbonden raakten.
Zaterdagmiddag 4 juli, om 5 voor 2, hield mama’s hartje op met kloppen. Ik zeg tje, omdat haar hele verschijning zo klein en broos geworden was.
Maar u en ik weten, dat haar hart groot was en warm.
Haar wilskracht en overlevingsdrang, en bovenal: de liefde voor papa, leken onuitputtelijk en niet te verslaan. Tot vorige week zondag, toen ze, bijna niet meer te verstaan, zei: “Ik ben zó moe”. Dat had ik haar niet eerder horen zeggen. En ik dacht: ze kan niet meer.
Moe of ziek hoorden niet bij mijn moeder. Misschien wel omdat haar voorvaderen echte Kubankozakken waren: sterke jongens, behendig met het zwaard op hun rappe kleine paarden. De tsaren hadden hen graag in hun elitekorpsen. Dat waren de jongens, maar de meisjes waren ook niet mis.
Toen mijn moeder in 1925 geboren werd in Krasnodar, diep in het zuid-oosten van Europees Rusland, was Lenin een jaar dood en stond Stalin aan het begin van zijn schrikbewind. Kunstmatige hongersnoden, verbanningen naar Siberië, wij hier weten het allemaal uit de boeken en de documentaires,
Mijn moeder en haar zusje maakten het mee, dat kinderen uit de klas verdwenen, familie verbannen werd, de doden op karren door de straten werden gereden, je niet naar de kerk mocht.
Voor Hitler waren alle Russen gelijk: mannen en vrouwen waren Untermenschen. Punt. De vrouwen werden westwaarts getransporteerd , om er hard te werken, vooral in de oorlogsindustrie. Zo ook mijn moeder.
Mijn vader was juist oostwaarts gestuurd, in het kader van de Arbeitseinsatz. In augustus 1944 leerden ze elkaar kennen in Plauen: Nina Tscherwjakowa en de Vlissingse Guus Harms. Ver van huis. Ze werkten bij hetzelfde bedrijf, maar Russische meisjes mochten geen contact hebben met westerse, in Nazitermen: Arische jongens.
Maar liefde maakt moedig en vindingrijk, zeker bij papa en mama. Ze trouwden op 7 mei 1945, de laatste oorlogsdag, in Duitsland. Met behulp van de Amerikanen arriveerden ze in de zomer in Vlissingen.
Het eerste wat mijn moeder deed: Nederlands leren. Wennen aan de ‘kouwe kikkers’ en de nieuwsgierige blikken. Mama was anders dan anderen. Ze droeg nog lang pijpenkrullen, was altijd verzorgd gekleed. In mijn herinnering zat ze altijd achter de naaimachine, want ze maakte bijna alles zelf.
Of zij zelf last heeft gehad van anticommunistische scheldpartijtjes of gefluister weet ik niet. In ieder geval sprak ze er niet over. Ik werd wel nageroepen op straat, dat ik een dochter van een Russin, een spion, een communist was. Als mama iets NIET was, was het wel communist. Op school voelde ik mij diep gekwetst als leraren weer eens tekeer gingen over de rode barbaren, de horden met hun duivelse aanvalsplannen om het vrije westen in te nemen. Russen deugden niet, waren onbetrouwbaar en meedogenloos. Over indoctrinatie gesproken. En mijn moeder dan?
Ze was slimmer in wis- en natuurkunde dan mijn broertjes en ik bij elkaar. En ze kon goed uitleggen ook. Streng was ze als het om school ging. Leren en studeren! Anders kom je op de kolchose terecht! Als de oorlog er niet was geweest had ze zeker een beta studie gedaan, aan de universiteit van Rostov.
Getrouwd, 3 kinderen, altijd bezig. Al gauw wisten medici uit de Vlissingse ziekenhuizen haar te vinden voor lastige zaken. Was er een Russische zeeman binnengebracht die aan boord een zwaar ongeluk had gehad. Mijn moeder bleek meer dan een tolk: zorgzaam en toegewijd steunde ze levensgevaarlijk gewonde landgenoten. Daar ging ze weer, ook ’s nachts als het moest, naar Sint Jozef of Bethesda. Ja, toen hadden we hier nog 2 ziekenhuizen! Haar Russisch kwam ook goed uit voor de Sovjetgezinnen van de Schelde. Hoe veel vrienden hebben papa en mama daar niet aan overgehouden?! Deze week heb ik nog flink wat rouwkaarten met bestemming Rusland naar het postkantoor gebracht. Druk druk, en toch nog een studie begonnen. Schriftelijk: Russische taal en letterkunde aan de Lomonosov Universiteit in Moskou. Nu was mijn moeder een echte, gediplomeerde tolk en ze ging les geven aan de ZVU in Middelburg.
Fietsen deed ze niet en een auto besturen, brrrr, liet ze graag aan papa over. ’s Avonds met de bus naar Middelburg? Natuurlijk niet. Papa bracht haar, ging dan lekker lezen in de Provinciale Bibliotheek en haalde haar dan weer op. Twintig jaar! Een paar avonden in de week. Voor mama en papa de gewoonste zaak van de wereld. Ze deden altijd alles samen. Alleen de jaren dat papa de drankwinkel had en mama naar Rusland ging, naar baboesjka, waren ze de zomers gescheiden. Wij moesten daar wel eens om lachen, om dat verliefde gedoe. En dat mijn moeder mijn vader dan plaagde met JOSH, egel in het Russisch, vanwege zijn avondstoppels. Hij droeg haar op handen, zij vond het fijn. Aq a qIk weet nog wel, toen ik nog klein was, en mijn moeder toch wel veel huilde. Was er weer geen post uit Rusland gekomen. Mijn vader zei toen: je moet maar extra lief voor mama zijn, ze heeft veel meegemaakt. De portee daarvan ben ik pas veel later gaan beseffen.
In 1980 hebben papa en mama baboesjka naar Nederland gehaald. Ze was ernstig ziek en is hier meteen geopereerd. Tot aan haar dood heeft ze bij mijn ouders thuis gewoond. Dat was, zeker in haar laatste jaren, niet zo makkelijk. Vroom en dement : baboesjka kon uren voor je lopen bidden, hardop. Mijn moeder was blij dat ze voor haar moeder kon zorgen. Dat ze iets terug kon doen. Omdat ze na de oorlog niet ‘naar huis’ was gegaan, maar met mijn vader mee, naar het westen. Toen ze in 1962 voor het eerst terugging naar de Sovjet Unie, ik was mee, hadden ze elkaar bijna 20 jaar niet gezien. Hartverscheurend, die ontmoeting op het station in Moskou. Al die huilende, geëmotioneerde mensen, familie die ik niet kende: ik voelde me echt een Nederlander . Terwijl ik me hier vaak Russisch kan voelen. Mijn moeder is, wat je noemt, super ingeburgerd: het heeft Hare Majesteit zelfs behaagd haar lid te maken in de Orde van Oranje Nassau,
maar een Russische is ze altijd gebleven.
Omdat ze altijd zo in de weer was, en midden in het leven stond, de ene Russische delegatie was nog niet weg of de andere boerenuitwisseling diende zich aan. Ze verdiepte zich speciaal daarvoor in de bijbehorende terminologie, woordenboeken op zich. Dan, na de val van de Sovjet Unie: de Zeeuwse mannen die verliefd waren geworden op een Russische vrouw. Ze kwamen op les, maar wat een moeilijke taal. Brieven schrijven? Kom maar. Liefdesproblemen? Mama luisterde.
Het klinkt misschien wat heilig, maar het was echt zo: ik ken mama, en papa net zo goed, niet anders dan actief en behulpzaam. Daarom trof het me des te harder om te zien dat mijn moeder zich niet goed voelde. Vijf jaar geleden, niet lang voor Hansje en ik gingen trouwen, liep mama een flinke salmonella vergiftiging op in de Haagse Bijenkorf. Tiramisu-gebak. Daarna is mama niet meer de oude geworden. Ze werd onzeker, bang om te vallen. Pijn in de nek, bevende handen, moeite met lopen.. Ze deed zo haar best, maar het werd niet beter. Daar was ze wel verdrietig van.
In mei 2005 hebben we nog het 60-jarig huwelijk van papa en mama gevierd. In kleine kring. Van de reis naar Rusland die we hen aanboden, is het niet meer gekomen. Te ver, te vermoeiend, te emotioneel. Ook Berlijn hebben ze niet meer gehaald.
Sinds Pasen vorig jaar lag mama in bed. In een ziekenhuisbed. Voor één persoon. Papa kon toch lekker in de logeerkamer, opperden de dames van Zorgstroom. Geen sprake van. Ik laat mama niet alleen, zei hij. Elke avond klapte hij het ouderwetse bijzetbed uit, en sliep dan toch dicht naast mama. En mama vond het ook fijn. Mijn vader is, denk ik, een goede hulpkracht van de Thuiszorg geworden. Ik zie het de bezuinigers in Den Haag zelf niet doen wat mijn vader allemaal heeft gedaan, maar zoals ik al eerder zei: liefde maakt sterk. Mijn moeder wilde beter worden en mijn vader was vastbesloten haar daarin bij te staan waar hij maar kon. Papa die begin vorig jaar, toen mama nog in de stoel zat, nog zei: Thuiszorg? Dat kan ik zelf beter, had een prachtig samenwerkingsverbond met de dames. Bewondering en respect, hij kon niet anders zeggen, voor hun kunde, toewijding en inzet. En zij voor hem. Maar de diepste ontroering ging toch uit naar mama. Geen klacht, geen gemopper, geen wanhoop. Blijmoedig, flink, en de oortjes gespitst op alles wat je zei. Een grapje ging er altijd in. Haar spieren lieten haar in de steek, maar haar geest niet.
Zo verdrietig dat je haar op het laatst amper nog kon verstaan. En dat ze toch bleef proberen zich te uiten. Hoe ze haar best deed de flesjes kosmonautendrank binnen te krijgen.
Zaterdagmiddag kwam de huisarts boven en zei tegen papa: uw moet uw vrouw loslaten.
Binnen een uur is ze stilletjes overleden.
Papa, wij hopen dat u in de geest van jullie twee door zult gaan.
Mama, moedertje, speciaal voor u dit lied.
Waar ben je, kleine ster van Moussorgsky, gezongen door uw lievelings sopraan Galina Vishnevskaja. Net zo oud als u.