Afgelopen zondag voeren mijn vrienden Erik, Berend, Martine en ik heel relaxed en gezellig op de Loosdrechtse Plassen. We haalden herinneringen aan dit of dat (we zijn allemaal redelijk op leeftijd, dus hebben redelijk wat herinneringen om te delen). Martine (Bijl) vertelde dat ze een column had geschreven in het maandblad Zin (wat ze trouwens al jaren doet) over haar zeilervaringen als kind. Ze stuurde de column op en ik vond hem zo leuk dat ik hem hieronder plaats. En me voorneem de Zin, alleen al voor haar columns, vaker te gaan lezen. Ik heb er de leeftijd voor, tenslotte.
ZEILEN
door Martine Bijl
Had U vroeger iets te zeggen over de besteding van Uw vrije tijd? Als kind, bedoel ik. Nee hè? Natuurlijk – dat uurtje voor het slapen gaan, dan mocht je zelf weten of je ging puzzelen of lezen. Maar in de weekends deed je wat je vader en moeder deden, toch? Bij ons was het zo: mijn vader wilde iets, mijn moeder deed mee en aan de kinderen werd niks gevraagd. Zo moesten wij veel wandelen. In de Waterleidingduinen of in de Dolomieten. Uren lopen en een lunchpakketje mee. Ik heb daaraan overgehouden dat ik wel wil wàndelen, maar niet ver, en alleen ergens heen waar iemand anders een pannenkoek voor mij gaat bakken. Met appel èn suiker èn stroop. Beloond wil ik worden, want eigenlijk blijf ik liever thuis. Toen ook al, maar je hebt niks te zeggen als kind.
Later hadden we een boot: einde wandelen. Vaak moet ergens heen gegaan worden omdat het Er Is. Een huisje, een caravan, of heel naar voor alle betrokkenen: kènnissen met een huisje of een caravan.
Wij hadden een boot, dus we gingen elk vrij moment naar de boot. Het was een vergrote BM, zo heet dat geloof ik. Mooi, daar niet van. En het was ook best een aardig ding - zolang het zachtkens wou glijden, al op het spieg’lend meer.
Maar elk vrij moment? Denk je dat mijn moeder niet weleens ergens anders heen wou? Dat die niet eens gedacht heeft: ik wou dat ie zonk, die kloteboot? Nou, reken maar. Temeer daar mijn vader zich niet liet weerhouden door slecht weer. Integendeel. Een echte kerel laat zich door niets weerhouden; die gaat júist, als het spookt. En wij méé, hè. En maar waaien. En maar hangen. En maar buizen. Hangen is dat de boot bijna omslaat en buizen is dat je zeiknat wordt.
Mijn moeder was fokkemaatje. Zij hield van zeilen met lekker weer, en dan een oppertje zoeken. Een oppertje is een plekje in het riet waar de kinderen verwekt worden. Als de kinderen er eenmaal zijn, ga je een kopje zwart water met suiker en melk brouwen en een boekje lezen.
Het oppertje, dat vond mijn moeder nog wel wat. Maar voornamelijk zat zij bij zwaar weer te hyperventileren met de fokkeschoot in haar handen, terwijl de boot door het water kliefde als een zwaard. Kruisen bij harde wind in de Ringvaart, een redelijk smal kanaal, dat was een donderse prestatie die om enigerlei reden volbracht moest worden.
Mijn vader zat met geknepen mannenmond aan het roer, en als hij sprak dan schreeuwde hij, in een vreemde taal.
“Klaar voor de wending? REE!!”
De boot wendde de steven.Mijn moeder greep verzenuwd naar de andere fokkeschoot. Soms miste ze hem, en dan klapperde het zeil oorverdovend, en dan was zij Stom en Een Wijf.De hond gleed jammerend van de ene naar de andere kant.Het wijf riep: “Jaap! Het kind! Het kind!”Dat was ik dan. Mijn broertje, ook al op weg om een Echte Vent te worden, oefende alvast zwijgend zijn minachtingsblik.
Soms riep mijn vader ook: “GIJP!!” Dan moest je bukken, anders kreeg je een doodklap van een stuk hout dat volkomen onverwacht langskwam.Mijn moeder deed vaak iets niet goed in de boot, al was ons meisjes niet helemaal duidelijk wàt. Ze vond het zeilen soms leuk, maar vaker niet, denk ik. En ik? Ik weet het niet meer. Ik ging gewoon mee. Ik dacht er niet eens over na. En dat was maar goed ook, want dat zou me niet veel opgeleverd hebben.
Terug in de haven gaven de gladiatoren uit de verschillende boten elkaar hengsten op de schouder. Heb jij de RINGVAART gedaan? Met dit weer? Zóóó! Pittig! Dan gingen ze wat drinken.
En niemand vroeg: Wat vond je vrouw d’r van?
Om van de kinderen maar niet te spreken.